3. Stimuleer energiebesparing in het gebouwenbestand

In gebouwen kunnen we nog veel energie besparen. Door zowel bij nieuwbouw als renovatie te vertrekken van een langetermijnvisie, ga je toekomstgericht en kostenefficiënt te werk. Daarbij staat het principe van ‘trias energetica’ centraal. Begin met het minimaliseren van de netto-energiebehoefte van het gebouw. Bij de volgende stap vul je de resterende energiebehoefte in met hernieuwbare energie. Pas als laatste gebruik je duurzame energieproductie op basis van niet-hernieuwbare energiebronnen. Die denkwijze moet gepromoot worden bij alle stakeholders; overheid, bouwheren en de bouwsector.

Om het energiegebruik van een gebouw zo nauwgezet mogelijk te meten volstaat de huidige performantie-indicator niet; een realistischere benadering is gewenst. De norm netto-energiebehoefte drukt het energiegebruik van een gebouw beter uit. De huidige perfomantie-indicator houdt enkel rekening met het theoretisch energiegebruik per oppervlakte-eenheid. Een meer accurate benadering zou zowel de efficiëntie van het gebouw als van het gedrag vatten. Het werkelijk gemeten energiegebruik moet rekening houden met de activiteit en productiviteit (bijvoorbeeld het aantal gebruikers/bewoners) in een gebouw. Een benadering met een wetenschappelijke grondslag is daarom een interessante denkpiste. Het mag echter geen vrijgeleide worden om ondoordacht toe te passen.

3.1 Ontwikkel een langetermijnstrategie voor 80% energiebesparing in gebouwen tegen 2050

Een grootschalige en diepgaande energierenovatie van gebouwen is een essentieel onderdeel van de Europese doelstelling om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 80 tot 95% t.o.v. 1990 te verminderen. Dit streven zette de Europese Commissie uiteen in de “Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050”. Naast definitief een einde maken aan de mentaliteit van te ruim bouwen (waarbij de grootte van een gebouw niet wordt afgestemd op bruikbaar volume en het aantal bewoners) moeten diepgaande renovaties de standaard zijn om een ‘lock-in’ effect te vermijden. Om de doelstellingen van de routekaart te bereiken is er over de periode tot 2050 nood aan renovatiedoelstellingen van 2,5-3% per jaar van het volledig gebouwenbestand (zowel publiek als privaat)7. Diepgaande renovaties moeten indien technisch haalbaar, resulteren in een verbeterde energieprestatie van het gebouw in overeenstemming met de passiefhuisstandaard. Een andere manier om een diepgaande renovatie te definiëren is een ingreep waarbij het energiegebruik van het gebouw vermindert met minstens 75% ten opzichte van de uitgangssituatie. Het gevolg is een comfortabeler en kwalitatiever gebouwenbestand. Op die manier kan de energievraag in het totale gebouwenbestand (nieuwbouw en renovatie) verminderen met minstens 80% tegen 2050.

3.2. Voorzie financiële ondersteuning: voldoende, stabiel en op maat

Om het aandeel doorgedreven energierenovaties, of sloop in combinatie met passiefhuisbouw of energie neutrale nieuwbouw stelselmatig op te drijven, is doordachte ondersteuning nodig. Er blijft een nood aan doelgroepgerichte en effectieve sensibiliseringscampagnes om burgers en bedrijven aan te sporen energiezuinig te renoveren. Het toepassen van energiebesparende maatregelen botst vaak op een initiële meerkost van de investering. Om die drempel te overwinnen is er nood aan financiële stimuli.

Financiële ondersteuning moet ingebed worden in een stabiel beleidskader dat zich afspeelt over een langere termijn. Op die manier wordt de investeringsdrempel verlaagd. Dat biedt zekerheid aan de investeerder en spoort aan tot het zo snel mogelijk uitvoeren van de maatregelen. Hierbij moet ook aandacht worden besteed aan de bevolkingsgroepen die niet de financiële middelen hebben om deze investeringen uit te voeren, maar die net met een verlaagde energiefactuur het meest gebaat zijn. Een ondersteuningsbeleid gaat nieuwe verplichtingen vooraf. In de opvolging van die nieuwe verplichtingen staat monitoring en opvolging cruciaal. Alleen zo kan de effectiviteit van die maatregelen en het gewenste resultaat gegarandeerd worden.

Zowel de klassieke als innovatieve financiële ondersteuningsmechanismen kunnen een oplossing op maat bieden. Het toekennen van klassieke financiële ondersteuningsmechanismen (subsidies, premies, etc.) moet gericht zijn op structurele innovatie en voorlopers. Belangrijk is dat de financiële stimulus een stabiel mechanisme is dat over langere termijn kan gehandhaafd worden door een duidelijk - bijvoorbeeld degressief – verloop uit te stippelen. Dit uitdoofbeleid of verstrengingstraject stimuleert zowel innovatie als afname van het product of dienst en werkt positief in op de algemene bewustwording. Om financiering goed af te stemmen op de realiteit en oversubsidiëring te voorkomen, moet de rendabiliteit van de investering in acht worden genomen. In het bijzonder moeten doorgedreven totaalrenovaties, die ook stapsgewijs uitgevoerd moeten kunnen worden, sterker ondersteund worden. Een deel van de middelen voor klassieke ondersteuning kan voortvloeien uit de inkomsten van het Europees emissiehandelssysteem.

Innovatieve financieringsmodellen verdienen meer aandacht. Ze bieden heel wat voordelen aan de investeerder als voor de uitvoerder. Zo zou de overheid derde partijfinanciering kunnen stimuleren door garanties te bieden aan een Energy Performance Contract (EPC) en dus op de haalbaarheid van het rendabel aanboren van het energiebesparingspotentieel. Energy Service Companies (ESCO’s) hebben te kampen met een vertrouwensprobleem en kunnen een garantie op haalbaarheid vanuit de overheid goed gebruiken. Ten slotte verdienen concepten zoals de groene leningen, of initiatieven van het Fonds ter Reductie van de Globale Energiekost (FRGE), het SVK (Sociaal Verhuur Kantoor), en burgercoöperatieven, meer aandacht en stimulering.

3.3. Stel minimale energiepestatienormen voor bestaande gebouwen

De gebrekkige kwaliteit van het energieprestatiecertificaat (EPC) zorgt voor een onvolledig inzicht in het energiegebruik van een gebouw. Dit verhindert de mogelijkheid om gepaste maatregelen te nemen. Een dergelijk certificaat zou aan de basis moeten liggen van een energieplan en zo een volwaardige energie-audit evenaren. Met een verbeterde kwaliteit, kan het EPC of een gelijkaardig instrument worden ingezet als normerend instrument, waarbij een minimale EPC-score als voorwaarde geldt voor verkoop of verhuur van een gebouw. Een dergelijke aanpak helpt mee aan het overwinnen van de drempel van verhuurders om energiezuinig te renoveren. 

De Vlaamse wooncode is een geschikt beleidskader om dit normerend instrument in op te nemen. Naast de minimale dakisolatienormen, moet de code ook minimale eisen voor de verwarmingsinstallatie en het buitenschrijnwerk van huurwoningen opleggen. De introductie van deze verplichtingen moet stelselmatig gebeuren. Sociaal flankerend beleid moet een garantie geven aan de beschikbaarheid van bewoonbare woningen.

3.4. Stimuleer Collectieve Renovatie

Om de renovatiegraad op te drijven, synergieën maximaal te benutten en de kostprijs te drukken, vragen we een focus op collectieve renovatie. Wijkgerichte maatregelen kunnen rekening houden met de wisselwerking tussen verschillende energiemaatregelen. Zo kan een globale aanpak bijvoorbeeld de graad van energiebesparingsmaatregelen en de nood aan bijhorende aanpassingen aan elektriciteit- en warmtelevering (zoals warmtenetten) op elkaar afstemmen. Een integrale aanpak door ketensamenwerking en sterk toenemende afname zorgt voor een schaalvergroting en drukt de kost van renovatie en nieuwbouw.

3.5. Verscherp ambitiniveau nieuwe gebouwen

De nieuwe Europese richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen voorziet dat alle nieuwe gebouwen vanaf 2021 bijna energieneutraal (BEN) moeten zijn. Voor de overheid geldt dat nieuwe gebouwen waar ze eigenaar van is en waar overheidsinstanties in gehuisvest zijn, vanaf 2019 aan de BEN-norm moeten voldoen. Brussel neemt hierin een voorlopersrol en legt de passiefhuisprincipes op vanaf 2015. Vlaanderen kan en moet dit voorbeeld volgen. Gebouwen die vandaag gebouwd worden, staan er immers nog in 2050. De voorlopers in energiebesparing moeten ondersteund worden door bijvoorbeeld verhoogde visibiliteit of financiële stimuli (zie 3.2). Dit is niet in het minst aan de orde nu de federale regering de fiscale aftrek voor het drastisch verlagen van de netto energiebehoefte van gebouwen afschafte (zoals voor lage energiewoningen, passiefhuizen en nulenergiewoningen).

Bijlage: Vlaams Energieagentschap (2012). Actieplan bijna-energieneutrale gebouwen.