Energiebesparing speelt cruciale rol in energie- en klimaatdoelstellingen

Het Fraunhofer Instituut berekende de meest kostenoptimale energiebesparingsdoelstelling voor Europa. Om het debat rond de 2030 energie- en klimaatdoelstellingen mee vorm te geven, analyseren de onderzoekers het 2020 energie- en klimaatpakket en berekenen ze welke rol energiebesparing daarin speelt. Ze komen tot het besluit dat een energiebesparingsdoelstelling van 41% tegen 2030, niet alleen heel wat socio-economische en financiële voordelen oplevert, maar ook resulteert in aanzienlijke emissiereducties.


Kostenoptimaal

Het instituut concludeert dat Europa tegen 2030 haar primair energiegebruik sterk kan terugbrengen door het energiebesparingspotentieel van 41% volop te benutten. Dit percentage is de som van het ‘bottom-up’ berekende potentieel in verschillende sectoren: industrie, transport, residentieel en tertiair. Het model dat aan de grondslag ligt, gaat uit van een kostenoptimale aanpak. Dat betekent dat het uitvoeren van energie-efficiëntie maatregelen leidt tot economische winsten voor de individuele investeerder. Daarbij wordt uitgegaan van een normale discontovoet, normale investeringscyclussen, huidig commercieel beschikbare technologieën en weggewerkte niet-financiële drempels voor energiebesparing.

Socio-economische voordelen

De onderzoekers geven aan dat het gebruikte model een zeer conservatieve berekeningswijze is. De socio-economische voordelen van energie-efficiëntie zoals competitiviteitsvoordelen, minder risico’s voor de volksgezondheid, economische groei en tewerkstelling worden zelfs niet meegerekend. Deze zijn echter niet te onderschatten wanneer men de volledige waarde voor de samenleving en economie tracht in kaart te brengen.

Absolute energiebesparing

Een doelstelling geformuleerd in termen van absolute energiebesparing is minder gevoelig aan economische schommelingen. Dat wordt uitgedrukt in de hoeveelheid energie die aan de eindstreep bespaard moet worden t.o.v. een referentiescenario. Het nadeel is dat ze geen garantie biedt op de vermindering in gebruik en daarenboven moeilijk te monitoren is. Toch stellen de onderzoekers dat deze aanpak de meeste garantie biedt op investeringen in energie-efficiëntie. Opvolging kan aangestuurd worden door betrouwbare monitoringsystemen en de doelstellingen zijn bovendien begrijpelijk te formuleren voor het brede publiek.

Bijsturen

In haar evaluatie van het 2020 pakket, onderstreept het instituut het belang van tussentijdse evaluatie. Zowel voor energiebesparing als voor de uitstoot van broeikasgassen zijn de doelstellingen geformuleerd in termen van absolute eindhoeveelheden. Deze cijfers worden vastgelegd o.b.v. een percentage van respectievelijk een referentiescenario (PRIMES 2007 en PRIMES 2009) en een ‘baseline’ (het uitstootniveau van 1990). Maar de realiteit komt niet altijd overeen met het gebruikte referentiescenario. Verandering in de economische groei en beleid noodzaakt flexibiliteit en de mogelijkheid tot bijsturing.

Aanzienlijke emmissie reducties

Om de impact van energiebesparing zo goed mogelijk te kunnen inschatten, hanteren de onderzoekers een voorspelde economische groei van 1.46% over de periode 2010-2030. Als bij het opstellen van het 2030 pakket volop de kaart wordt getrokken van kostenoptimale energiebesparing, slaagt Europa erin de uitstoot van broeikasgassen met 56% terug te dringen tegen 2030. Een ambitieuze energie-efficiëntie doelstelling leidt bijgevolg tot aanzienlijk reducties van broeikasgassen.

Co2 reductie door energiebesparing